Project 0.04: Ontwikkeling multidisciplinaire richtlijn zelfcontrole
jolandahensbergenHet project Richtlijn zelfcontrole bloedglucosewaarden moet antwoorden geven op veel vragen en onduidelijkheid rond zelfcontrole. Projectleider Jolanda Hensbergen: ‘De richtlijn moet praktisch werkbaar én wetenschappelijk onderbouwd zijn.’

Diabeteshulpverleners zijn het in de praktijk niet eens over de manier waarop zelfcontrole van bloedglucosewaarden het best kan worden uitgevoerd. Zo is er geen overeenstemming over de indicatie voor zelfcontrole, de frequentie van de controle en de tijdstippen waarop de patiënt het meest doelmatig aan zelfcontrole kan doen. Ook zijn de voorlichting en instructies die patiënten over zelfcontrole krijgen niet eenduidig. Daardoor behalen patiënten niet altijd de optimale resultaten met zelfcontrole en worden ze belemmerd in hun zelfmanagement van diabetes. 'Daarom is het hoog tijd dat er meer duidelijkheid komt over zelfcontrole’, zegt diabetesverpleegkundige Jolanda Hensbergen.
Hensbergen leidt het NAD-project dat november 2011 een nieuwe – en voor het eerst multidisciplinaire – richtlijn voor zelfcontrole en -management moet opleveren. ‘Bestaande richtlijnen zijn verouderd, te weinig gedetailleerd en wetenschappelijk niet altijd even goed onderbouwd. We willen consensus krijgen over de educatie aan patiënten ten aanzien van zelfcontrole.’

Breed draagvlak
Betrokken zijn onder meer klinisch chemici, apothekers, patiënten, zorgverzekeraars, huisartsen, praktijkondersteuners, diabetesverpleegkundigen, diëtisten en internisten, als werkgroepdeelnemer of anderszins. ‘We hebben deze professionals vooral gevraagd als afgevaardigde van hun beroepsorganisatie. Zo werken we aan een breed draagvlak, zodat de richtlijn snel zijn weg vindt naar de praktijk.’ Zelfcontrole is een belangrijk onderdeel van zelfmanagement bij diabetes. ‘Daar zullen dus wel duidelijke afspraken over bestaan, zou je denken. Toch is dat niet zo. Er blijft bijvoorbeeld discussie of het zinvol is om mensen die geen insuline gebruiken de mogelijkheid te bieden hun bloedglucosewaarden te controleren.’ En hoe vaak moeten mensen met diabetes eigenlijk bloedprikken? Ook daarover bestaat geen consensus. Kortom, er zijn talloze vragen waarop dit project antwoord gaat geven.

Stand van zaken
In de eerste fase van het project heeft de multidisciplinaire werkgroep - op basis van de nieuwste wetenschappelijke bronnen, ondersteund door het CBO - zoekcriteria vastgesteld en een literatuurzoektocht uitgevoerd. Op basis hiervan worden op dit moment de artikelen gescreend op relevantie. Uitgangsvragen hierbij zijn:

  1. Leidt het zelf controleren van bloedglucosewaarden door mensen met diabetes type 2 zonder insulinetherapie tot betere uitkomsten* ten opzichte van regulier (in Nederland 4 maal per jaar) bloedglucose en HbA1c controle door de diabetesbehandelaar?
  2. Leidt het zelf controleren van bloedglucosewaarden door mensen met diabetes met één tot tweemaal daags insuline injectie therapie tot betere uitkomsten*, ten opzichte van regulier (in Nederland 4 maal per jaar) bloedglucose en HbA1c controle door de diabetesbehandelaar?
  3. Heeft de frequentie van bloedglucose meten door mensen met diabetes en intensieve insuline injectie- / pomptherapie effect wat betreft verbetering van het HbA1c, vermindering van het aantal hypo- en hyperglykemische ontregelingen, verbetering van kwaliteit van leven en een vermindering in medicatiegebruik?
  4. Welke gestructureerde vormen van patiënteducatie leiden tot het succesvol aanleren van zelfcontrole en interpreteren van bloedglucosewaarden bij mensen met diabetes type 1 of 2 en welke persoonsgebonden kenmerken van de mensen met diabetes dragen bij aan effectieve educatie tot zelfcontrole?
  5. Aan welke voorwaarden moet de uitvoering van zelfcontrole door mensen met diabetes voldoen teneinde te kunnen vertrouwen op de meetresultaten?

Hierna volgt een commentaarronde onder professionals en een praktijktoets. Uiteindelijk zal het project in november 2011 een breed gedragen richtlijn – zowel door zorgprofessionals als mensen met diabetes – opleveren. Die wordt samen met een handzame patiëntenversie verspreid.

* Een lager HbA1c, verhoogde kwaliteit van leven, minder hypo- en hyperglykemische ontregelingen of een reductie van medicatiegebruik

Praktische implementatie
vanaf het begin is de toepasbaarheid van de richtlijn van groot belang. Hensbergen: 'Het moet een richtlijn worden die zijn weg snel vindt naar de praktijk van alledag. Daarom ook is het heel belangrijk dat er een patiënt in onze onze werkgroep zit die ons terugfluit als we het te ingewikkeld maken.’
Als de richtlijn er eenmaal is, kunnen verpleegkundigen er in hun dagelijks werk hun voordeel mee doen, verwacht Hensbergen. ‘Dat geldt naast de diabetesverpleegkundigen – die toch al vrij goed geïnformeerd zijn – ook voor verpleegkundigen op ziekenhuisafdelingen, in verpleeghuizen en in de wijk. De richtlijn versterkt hun professionaliteit.’

Uitvoering
EADV, Jolanda Hensbergen, e-mail Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Looptijd

maart 2010 - november 2011